dichtheid

vrouwelijk (de)/ˈdɪxthɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (maatschappelijk); compactheid
  2. natuurkunde, scheikunde (natuurkunde) (scheikunde) grootheid voor aantal eenheden per lengte, oppervlak of inhoud
    De dichtheid en de samenstelling van de coma moeten juist door Giotto worden onderzocht.
    De soortelijke dichtheid van Eros is 2,7 gram per kubieke centimeter - vergelijkbaar met de dichtheid van de aardkorst - en die dichtheid is overal in het inwendige van de planetoïde gelijk.
  3. het dicht zijn (d.w.z. zonder gaten) zoals bij kierdichtheid

Etymologie

*Afgeleid van dicht .

Vertalingen

Engelsdensity, compactness
Fransdensité
DuitsDichte
Spaansdensidad