diaspora

mannelijk/vrouwelijk (de)/diˈjɑspora/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grootschalige verspreiding van een volk over verschillende ver van elkaar af liggende landen
    de Armeense diaspora kwam flink op gang na de Armeense genocide in de Eerste Wereldoorlog
  2. religie (religie) tussen andersdenkenden verspreid raken van leden van een geloofsgemeenschap

Etymologie

* van "διασπορά" (diasporá) "verstrooiing", in de betekenis van ‘verstrooiing buiten de landsgrenzen’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Vertalingen

Spaansdiáspora