deur

mannelijk/vrouwelijk (de)/dør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
    De deur werd met een koevoet uit zijn sponningen gelicht.
    Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.
  2. een afsluiting van een toegang tot een kast
    Ze opende het deurtje en haalde er een klein potje uit.

Etymologie

:: dvara (द्वार)

Uitdrukkingen

  • Achter gesloten deurenNiet in het openbaar
  • Dat doet de deur dicht.Dat is niet meer acceptabel, hiermee is een grens bereikt/overschreden
  • Dat is niet naast de deurDat is erg ver weg
  • De deur [achter zich] dichttrekkenWeggaan
  • De deur op een kier zettenVerklaren dat iets misschien wel zou kunnen
  • De deur platlopenErgens (te) vaak op bezoek komen
  • Een open deur intrappenIets dat toch al overduidelijk of vanzelfsprekend is nog eens expliciet benoemen
  • Een stok achter de deur houdenIets als dreigement gebruiken

Vertalingen

Engelsdoor
Fransporte
DuitsTür
Spaanspuerta
Italiaansporta, portiera, sportello
Portugeesporta
Russischдверь
Chinees門, 门
Japans戸, と, 扉
Poolsdrzwi
Zweedsdörr