deur
mannelijk/vrouwelijk (de)/dør/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststofDe deur werd met een koevoet uit zijn sponningen gelicht.Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.
- een afsluiting van een toegang tot een kastZe opende het deurtje en haalde er een klein potje uit.
Etymologie
:: dvara (द्वार)
Uitdrukkingen
- Achter gesloten deuren — Niet in het openbaar
- Dat doet de deur dicht. — Dat is niet meer acceptabel, hiermee is een grens bereikt/overschreden
- Dat is niet naast de deur — Dat is erg ver weg
- De deur [achter zich] dichttrekken — Weggaan
- De deur op een kier zetten — Verklaren dat iets misschien wel zou kunnen
- De deur platlopen — Ergens (te) vaak op bezoek komen
- Een open deur intrappen — Iets dat toch al overduidelijk of vanzelfsprekend is nog eens expliciet benoemen
- Een stok achter de deur houden — Iets als dreigement gebruiken
Vertalingen
Engelsdoor
Fransporte
DuitsTür
Spaanspuerta
Italiaansporta, portiera, sportello
Portugeesporta
Russischдверь
Chinees門, 门
Japans戸, と, 扉
Poolsdrzwi
Zweedsdörr
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek