dentaal

mannelijk/vrouwelijk (de)/dɛnˈtal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fonetiek (fonetiek) medeklinker die met de tong op een bepaald punt tegen de tanden of tandkassen aan gedrukt gevormd wordt

Etymologie

*van het Latijnse 'dentalis' of dente (tand)

Vertalingen

Engelsdental, dental consonant, dental
Fransdentale, consonne dentale, dental
Spaansconsonante dental, dental