delgen
/ˈdɛlɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (economie) een schuld uitwissen, tenietdoen, amortiseren
Etymologie
*van Middelnederlands "deligen", in de betekenis ‘uitwissen, laten verdwijnen’ aangetroffen vanaf 1384-1398 In het Oudnederlands komt de samenstelling "fardiligon" "verdelgen, uitwissen" voor, in het "diligon" ( """ / "dilgen"), in het "tiligon" ( "tiligen", "tilgen" "verwijderen"), in het "diligia" ( "dylgje") en het "dilgian" "uitwissen". Dit zou een vroege ontlening van Latijn "delere" kunnen zijn.
Vertalingen
Engelsamortize, deaden, pay off
Spaanssaldar una deuda
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek