Dek

onzijdig (het)/dɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. laag die of vlak dat iets van boven afsluit:
    Op de huizen lag een dek van sneeuw wat er heel romantisch uitzag.
  2. scheepvaart (scheepvaart) een verdieping op een schip, scheepsdek
    De derde klas passagiers waren verzameld op het laagste dek van het schip.
    Als ik dik in de poen zat, lag ik wel met mijn kont op het dek van een superjacht in Marbella, waar?
  3. deken (voor mens of dier)
    Ik legde een dek op het bibberende paard.
  4. laag van haren of veren op de rug van een dier (-> verendek

Etymologie

* In de betekenis van ‘bedekking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Uitdrukkingen

  • Alle hens aan dek

Vertalingen

Engelsdeck
Franspont
DuitsDeck
Spaanscubierta