deconfiture

vrouwelijk (de)/dekɔnfi'tyrə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. formeel (formeel) mislukking
  2. formeel (formeel) faillissement, bankroet
    “Wat in Nederland is gebeurd is een deel van een breder patroon: een deconfiture van de westerse democratie. Formeren duurt steeds langer, regeren duurt steeds korter en in die korte periode maken ze ruzie.”[https://www.parool.nl/han-lips/democratie-is-een-fragiel-diertje-dat-je-moet-koesteren-bleek-weer-in-buitenhof~b7c68f6f/ www.parool.nl (8 jun 2025)]

Etymologie

*afgeleid van het Franse déconfiture ()

Vertalingen

Engelsfailure, bankruptcy
Franséchec, cessation de paiements, faillite
DuitsMisserfolg, Fehlschlag, Pleite
Spaansfracaso, quiebra, bancarrota
Italiaansbancarotta, fallimento
Portugeesfalência
Zweedskonkurs