dealer

mannelijk (de)/ˈdiːlər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) verkoper (meestal) van één merk auto's
  2. beroep (beroep) drugshandelaar
    Zij waren de dealers die de verslaafde hadden bevoorraad.
  3. beroep (beroep) beurshandelaar: een dealer is een member van de beurs die uitsluitend voor eigen rekening en risico mag handelen.
  4. beroep (beroep) croupier: iemand die de kaarten verdeelt in een casino
  5. beroep (beroep) handelaar

Etymologie

* van dealen

Vertalingen

Engelsdealer, dealer
Fransconcessionnaire, trafiquant
DuitsHändler, Dealer
Spaansdistribuidor, representante, traficante