dealer
mannelijk (de)/ˈdiːlər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) verkoper (meestal) van één merk auto's
- (beroep) drugshandelaarZij waren de dealers die de verslaafde hadden bevoorraad.
- (beroep) beurshandelaar: een dealer is een member van de beurs die uitsluitend voor eigen rekening en risico mag handelen.
- (beroep) croupier: iemand die de kaarten verdeelt in een casino
- (beroep) handelaar
Etymologie
* van dealen
Vertalingen
Engelsdealer, dealer
Fransconcessionnaire, trafiquant
DuitsHändler, Dealer
Spaansdistribuidor, representante, traficante
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek