de

/də/

Betekenis

lidwoord
  1. voorafgaand aan een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat het niet om een willekeurig persoon of ding gaat, maar dat duidelijk is om wie of wat het specifiek gaat
    Een hond is vaak lief, maar de hond van mijn oom is vals.
  2. formeel (formeel) voorafgaand aan een zelfstandig naamwoord om aan te geven dat het om de hele categorie gaat
    De hond is een dier met een staart.
  3. voorafgaand aan een bijvoeglijke naamwoord of rangtelwoord als dit zelfstandig gebruikt wordt
    Van die honden is de tweede van links vals, maar de zwarte is heel lief.
  4. per (bij prijzen)
    Deze stof kost zes euro de meter.
voorzetsel
  1. van (alleen in de onderstaande verbindingen)
voorzetsel
  1. van (alleen in de onderstaande verbindingen)
voorzetsel
  1. van (alleen in de onderstaande verbindingen)

Etymologie

*[D]: van Latijn "de"

Uitdrukkingen

  • aan de hand van
  • aan de lopende meter
  • als de wiedeweerga
  • als de dood zijn voor
  • atlas van de genen
  • breek me de bek niet open
  • Dag van de Arbeid
  • de kat bij de melk zetten

Vertalingen

Engelsthe
Fransle, la, les
Duitsder, die, das
Spaansel, los, la
Zweeds-en, -et