dauw

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meteorologie (meteorologie) condensatiedruppels gevormd op de grond door afkoeling van vochtige lucht
    Het grasveld was bedekt met dauw.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gecondenseerde waterdamp’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Uitdrukkingen

  • voor dag en dauwheel vroeg in de ochtend

Vertalingen

Engelsdew
DuitsTau
Spaansrelente, rocío
Zweedsdagg
Deensdug