datum

mannelijk (de)/ˈdatʏm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening (tijdrekening) een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
    De datum waarop de brief geschreven was is 11-04-1933.
    De ISO-8601 notering van de datum 28 juli 2016 is 2016-07-28 of 2016-W30-4
    Peg zou Peggy Guggenheim kunnen zijn, R kon Robles zijn; de datum klopte, en het telegram was naar Malaga gestuurd, waar Robles volgens Reede had gewoond.
  2. gegeven

Etymologie

*Van het Latijnse "datum" (wat gegeven is)

Vertalingen

Engelsdate
Fransdate
DuitsDatum
Spaansfecha
Poolsdata