datrecorder

mannelijk (de)/ˈdɑtriˌkɔːrdər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestel dat geluid in hoge kwaliteit digitaal vastlegt op een band magnetiseerbaar materiaal in een cassette
    Dat liet hij ons later weer horen, omdat hij elke show opnam en vervolgens nog helemaal naluisterde op een datrecorder.
    De wezenlijke voordelen van de DAT-recorder liggen voornamelijk op het vlak van eigen microfoonopnamen, op live-gebied dus.

Etymologie

*, aaneengeschreven volgens ; in de betekenis "digitale cassetterecorder" aangetroffen vanaf 1986 (zie vindplaats hieronder)