dat

mannelijk (de)/dɑt/

Betekenis

voegwoord
  1. een voegwoord dat een lijdend-voorwerpszin inluidt
    Hij zei dat hij het niet begreep.
    De reddingsbrigade blijft benadrukken dat je altijd moet oppassen als je in zeewater zwemt.
  2. een voegwoord dat een onderwerpszin inluidt
    Dat hij geen afscheid had kunnen nemen, was voor hem een bron van groot verdriet.
voornaamwoord
  1. beperkend in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
    Hij verkocht het huis dat hij van zijn ouders geërfd had.
voornaamwoord
  1. wijst iets aan dat zich in een afstand van de spreker bevindt en onzijdig is (bij een mannelijk of vrouwelijk zelfstandig naamwoord wordt hiervoor die gebruikt)
    Dat huis is groter dan dit.
    Die fiets is kleiner dan dat autootje.
  2. pejoratief (pejoratief) gebruikt in plaats van het aanwijzend voornaamwoord die, om op een zeer onvriendelijke manier naar iemand te verwijzen
    Dat denkt maar alles te mogen!
zelfstandig naamwoord
  1. initiaalwoord, afkorting (initiaalwoord), (afkorting) digital audio tape, een digitale geluidsband

Etymologie

:/: tas, ta, : taj, : тоя (toja), : тоа, : тај (taj), : ta, : тот (tot), этот (etot) /: той (toj), //: ten, /: tón

Uitdrukkingen

  • Vandaar dat.
  • dat is geen klein bier
  • Dat haal je de koekoek.dat zal wel waar zijn
  • Dat het een aard heeft
  • Dat is de hamvraagde vraag waar het om gaat
  • Dat is een hongerige luis.Dat is een gierigaard.
  • Dat is een rijkeluiswensiets waar heel erg naar wordt verlangd
  • Dat is een waarheid als een koeDat is overduidelijk waar

Vertalingen

Engelsthat, that
Fransque, que, qui
Duitsdass, das
Russischчто, чтобы, который
Poolsże