daguitstap

mannelijk (de)/'dɑxœytstɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. reis die één dag duurt zonder overnachting
    De drie verdachten maakten met hun school een daguitstap naar de Efteling. Zij kregen het aan de stok met een jongen van 14 omdat die naar hen gekeken had.
    Scholen mogen weer op daguitstap