dagkaart
mannelijk/vrouwelijk (de)/'dɑxkart/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toegangsbewijs of vervoerbewijs dat één dag geldig isMet een NS-dagkaart mag je één dag onbeperkt reizen in de trein.
- menukaart met gerechten die op die dag beschikbaar zijnIn Frankrijk noemt met een dagkaart Carte du jour.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek