dagkaart

mannelijk/vrouwelijk (de)/'dɑxkart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toegangsbewijs of vervoerbewijs dat één dag geldig is
    Met een NS-dagkaart mag je één dag onbeperkt reizen in de trein.
  2. menukaart met gerechten die op die dag beschikbaar zijn
    In Frankrijk noemt met een dagkaart Carte du jour.