dading
vrouwelijk (de)/'dadɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) vaststellingsovereenkomst betreffende een vermogensrechtelijk geschil
Etymologie
* Verouderde betekenis ‘buitengerechtelijke schikking, transactie’, uit Middelnederlands dāghedinc, dādinc, dāghedinghe, dādinghe ‘gerechtstermijn; minnelijke schikking; twist, geschil’, samenstelling uit dag ‘etmaal, datum; zittingsdag’ en geding ‘rechtspraak, -geding’. Parallel daarmee zijn Oudsaksisch dagething, Oudhoogduits tagading en Oudfries deithing, dīthing ‘gerechtstermijn; verhandeling voor het gerecht’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek