dader

mannelijk (de)/ˈdadər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die iets (slechts) gedaan heeft
    Vervolgens laat men wel even de dader naar het bureau komen om met hem te praten.
    Ze voelde zich gelijktijdig slachtoffer en dader.
    Zolang het binnen de fatsoensnormen bleef, lachte hij vriendelijk maar bescheiden met de daders mee.

Etymologie

*Afgeleid van daad

Vertalingen

Engelsculprit
DuitsTäter
Spaansautor, culpable
Deensgerningsmand