cursist

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs (onderwijs) iemand die een cursus volgt
    De cursisten verzamelden in de hal.
    ‘Wij zijn de woensdagmiddag schilderclub. Doe je mee?’ vroeg een dame van in de 70. Dat liet ik me geen twee keer zeggen en ik kreeg meteen een schort om. De vier cursisten waren tussen de 70 en 80 jaar en stelden allerlei vragen aan deze nieuwe vogel aan tafel.

Etymologie

*afgeleid van cursus