cultus

mannelijk (de)/ˈkʏltʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) verering van een godheid, godsverering, eredienst
  2. overdreven, dweepzieke aandacht
    De cultus rond Elon Musk: hoog tijd dat we kritischer gaan nadenken over deze ‘Homo Zeus’, die ons van de ene hype naar de andere sleept

Etymologie

* Van het Latijnse "cultus", in de betekenis van ‘godsverering, eredienst’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Vertalingen

Engelscult, cultus
Spaansculto
Russischкульт