crisisjaren

/ˈkrizɪsˌjarə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis (geschiedenis) jaren 30 van de 20e eeuw, toen er een wereldwijde economische depressie was
    Toen het in de crisisjaren niet goed ging met het bedrijf zijn mijn grootouders in een kleiner huis in Hengelo gaan wonen.

Etymologie

*crisisjaar met uitgang -en