contrast

onzijdig (het)/kɔn'trɑst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. opvallende tegenstelling
    Een groter contrast was niet denkbaar.
    China is een land vol contrasten.
    Ik keek. De gestrenge gevels met de arcades stuurden de blik met majesteitelijk gezag in de richting van de basiliek van San Marco, die met haar koepels en ronde vormen een bubbelend en bijna buitenaards contrast vormde met het wereldse machtsvertoon van het plein.
  2. verschil tussen maximaal wit en maximaal zwart in een beeld (foto, televisiebeeld etc.)
    Hij regelde het contrast van de televisie met de contrastregelaar.

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse contra en 'stāre' (staan)

Uitdrukkingen

  • in schril contrast staan met

Vertalingen

Engelsantithesis, contrast
Franscontraste, opposition
DuitsGegensatz, Kontrast
Spaanscontraste, contraposición, contraste
Poolskontrast, przeciwienstwo