contour

mannelijk (de)/kɔn'tur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beschrijving of afbeelding van de buitenzijde van iets zonder details
    Door de mist zagen we alleen de contouren van het flatgebouw.
    De architect presenteerde de contouren van het plan.
  2. de omtrek van iets, het silhouet
    Ver voor hem uit, nog altijd veel verder dan hij gedacht had, zag hij de kontoeren (contouren) van de Bergen van Stilte.{{Aut|Herzen, Frank
    Het voelde goed om een vers pad in de sneeuw te kunnen maken. Heel langzaam volgden we de contouren van de haarspelden naar beneden.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘omtrek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824