contanten

meervoud/kɔnˈtɑntə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. klinkende munt, kasgeld, cash
    Heb jij nog wat contanten bij je want we kunnen hier niet pinnen.
    En wat zou hij dan zeggen? Ó jee, de contanten zijn op, dus nu moeten we huis en haard verlaten.

Etymologie

* afgeleid van "contant"