constatering

vrouwelijk (de)/kɔnsta'terɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het constateren
    Na de constatering dat de boekhouder afwezig was, ging de vergadering verder.
    Hij kon gewoonweg niet meer verder. Zijn leven was zinloos geworden. Mede door deze constatering waren zijn hersens op hol geslagen.
    Advocaat Van Tilborg wist zich duidelijk geen raad met deze constatering en zei dat deze zaak in een andere procedure tot de bodem moet worden uitgezocht.

Etymologie

* van constateren