conduite

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɔn'dwitə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gedrag
    Totdat een flamboyante, maar erudiete honnepon, pro-Deoadvocate, adept van welriekende shampoos, zijn pad kruiste, op wie hij tijdens een roezemoezige za-kenreis grenzeloos verliefd werd, kenschetste men hem als hét exempel van een balsturige querulant, een affreus kruidje-roer-me-niet, dat demystificaties van een meer gezapige conduite geenszins gedwee imiteerde.

Etymologie

* uit het Frans