collectiviteit
vrouwelijk (de)/kɔlɛktivi'tɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een groep die dusdanig groot is, dat niet alle leden interactie met elkaar hebben, maar waarbij nog wel sprake is van gedeelde waarden, doelen en saamhorigheid
Etymologie
*afgeleid van collectief en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek