cola
mannelijk (de)/ˈkola/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een geslacht dat bestaat uit meer dan honderd soorten bomen die voorkomen in tropisch en zuidelijk Afrika. Het enige bekende product is de kolanoot, die voornamelijk geleverd wordt door Cola acuminata
- (drinken) een uit kolanoten vervaardigde bruinkleurige drank met prik (frisdrank)Je doet mij veel meer plezier met een colaatje dan met een wijntje.Het water liep me spontaan in de mond als ik dacht aan een vanille milkshake en cola met ijs.
Etymologie
* In de betekenis van ‘koolzuurhoudende frisdrank’ voor het eerst aangetroffen in 1952
Vertalingen
EngelsCoke, coke, cola
Franscoca
DuitsCola
Spaanscola
Italiaanscoca, coca-cola
Russischкола, кока-кола
Zweedskola
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek