cognac

mannelijk (de)/kɔˈɲɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) Franse brandewijn die in en rond Cognac uit wijn gestookt wordt
    Achter haar ogenschijnlijke vrolijkheid, haar sigaret en haar glas cognac school een diep doorleefd besef van de existentiële tragiek. NRC Margot Dijkgraaf 2 februari 2012
    En wat kon hij daar in godsnaam op antwoorden? Ze had een grote fles cognac in huis. En wat maakte het uit, het was nog vroeg.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘soort brandewijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1790

Vertalingen

DuitsKognak
Spaanscoñac