coca

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkoka/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort plant, die zijn oorsprong vindt in Zuid-Amerika en die groeit op grotere hoogte, waarvan een aftreksel van de bladeren in Zuid-Amerika, met name in Bolivia en Peru wordt gekauwd als middel tegen hoogteziekte en als stimulans voor arbeiders in de mijnbouw

Etymologie

*via """ van "kuka", in de betekenis van ‘bladeren van Peruaanse struik’ voor het eerst aangetroffen in 1564

Vertalingen

Franscoca
Spaansarbusto de coca, coca, coca del Perú