clown

mannelijk (de)/klɑun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) komische wit geschminkte artiest, oorspronkelijk uit het circus
    De clown trad op tot aan zijn dood.
    Natuurlijk mag een clown in het circus niet ontbreken.
    Vooral onder jongere kinderen is de clown meestal erg geliefd vanwege zijn komische voorkomen.[https://www.mijnzzp.nl/Beroep/696-Clown Clown], Mijnzzp.nl
  2. figuurlijk (figuurlijk) bespottelijk, belachelijk iemand
    ‘Soms denk ik over Memphis: wat een clown, maar hij kan niet anders’.[https://www.voetbalzone.nl/doc.asp?uid=230554 voetbalzone.nl], 26 november 2014

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels. In de betekenis van ‘grappenmaker’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Vertalingen

Engelsclown, buffoon, clown
Fransclown, bouffon, bouffonne
DuitsClown, Pappnase, Pappnase
Spaanspayaso, payasa, arlequín
Italiaansclown, pagliaccio, pagliaccia
Portugeespalhaço, palhaça, bobo
Russischклоун, шут, клоун
Zweedsclown, clown