citroen
mannelijk/vrouwelijk (de)/siˈtrun/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fruit) ovale, gele zure vrucht van de citroenboomDe man vond de citroen zuur smaken.
Etymologie
*Afkomstig van het Franse citron
Uitdrukkingen
- appels voor citroenen verkopen — iemand oplichten
- Hij wordt weggegooid als een uitgeknepen citroen. — Nadat men van hem gebruik heeft gemaakt ziet men niet meer naar hem om.
- iemand knollen voor citroenen verkopen — iemand neppen
- iemand uitknijpen als een citroen — iemand zo veel mogelijk geld afzetten
Vertalingen
Engelslemon
Franscitron
DuitsZitrone
Spaanslimón
Italiaanslimone
Portugeeslimão
Russischлимон
Chinees柠檬
Japansレモン, 檸檬
Koreaans레몬
Turkslimon
Poolscytryna
Zweedscitron
Deenscitron
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek