cisterciënzer

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) een monnik behorende tot de kloosterorde der Cisterciënzers

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lid van geestelijke orde’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1778

Vertalingen

Franscistercien, cistercien