cirkel

mannelijk (de)/ˈsɪrkəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meetkunde (meetkunde) een reeks van punten in een tweedimensionaal vlak die alle even ver van het middelpunt verwijderd zijn
    Iedereen kent de V-vorm waarin ganzen langs de hemel vliegen. Maar diezelfde vogels kunnen ook vliegen in een volmaakte cirkel, de ‘ganzencirkel’.Kester Freriks 16 februari 2016 NRC
    Ook hier was de vrouw te zien, alleen zat ze nu ineengedoken in een cirkel die boven het graan zweefde.
    Haar geest werd ruw losgekoppeld, hartstocht nam de controle over haar lichaam over. Terwijl zijn vingertoppen op verkenning gingen, draaide zijn tong trage cirkels rond haar tepel.
  2. groep van mensen die bij elkaar horen rond een centraal persoon
    De verhalen gaan over hoe de cirkel rondom Vladimir Poetin geld weg sluist.Melle Garschagen 4 april 2016 NRC
    Lots woorden in gedachten - dat ik me meer moest openen - zette ik een stap naar voren en ging in de cirkel staan, waarna Lot en Joy aan weerszijden hun armen om mij heen sloegen.

Etymologie

*via Middelnederlands """ van Latijn "circulus", in de betekenis van ‘kring’ aangetroffen vanaf 1220

Uitdrukkingen

  • vicieuze cirkeleen zichzelf versterkend proces waarbij het gevolg ook weer de oorzaak van een verandering in dezelfde richting is
  • dan is de cirkel weer ronddan is iets voltooid

Vertalingen

Engelscircle
Franscercle
DuitsKreis
Spaanscírculo
Italiaanscircolo
Portugeescírculo
Russischкруг
Chinees
Japans円, 丸
Poolsokrąg, krąg
Zweedscirkel
Deenscirkel