cipres
mannelijk (de)/siˈprɛs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (coniferen) bepaald soort naaldboom, , die 15 tot 20 m hoog wordt, met een rechte stam, korte, rechtopstaande takken, een dikke, kegelvormige kroon, kleine, dakpansgewijze, aanhoudende, donkergroene bladeren, eindstandige geelachtige bloemen en galbulten (vruchten) van ongeveer drie centimeter in diameter voorkomend in het gebied rond de Middellandse Zee„De familie wist niet wat ze in handen had. En verder is het toeval. Een buurman adviseerde om het schetsboek aan een deskundige voor te leggen. Dat was Franck Baille, oprichter van een veilinghuis in Monaco. Hij nam drie jaar geleden contact met mij op en liet me een tekening van een cipres zien. Ik geloofde mijn ogen niet: een Van Gogh, een onbekende tekening van een van de grootste moderne kunstenaars. Toen ik hoorde dat ze uit een schetsboek met 65 tekeningen kwam, hapte ik naar adem.”NRC Arjen Ribbens 16 november 2016Zelfs hoog tegen de berghelling boven het meer van Lugano hangt de hitte van het diepe zuiden. Alles is hier Italiaans. De namen, de rood- en geelgekleurde huizen, de mensen en het landschap met palmen en cipressen. Maar wij zijn nog in Zwitserland, in het exotische bergdorp Montagnola in de punt van Tessin.NRC Nico Keuning 20 augustus 2002Vooral de woorden over de eikenboom en de cipres bleven nog een lange tijd naklinken in mijn hoofd.
- (informeel) benaming voor naaldbomen die op lijken, al of niet behorend tot de cipresfamilie,
- (materiaalkunde) roodachtige, geurige als onvergankelijk beschouwede houtsoort afkomstig van
Etymologie
*via Middelnederlands "cypresse" en "cipres" van Latijn "cypressus", in de betekenis van ‘naaldboom’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelscypress
Spaansciprés
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek