cicade

vrouwelijk (de)/si'kadə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. halfvleugeligen (halfvleugeligen) groot, halfvleugelig insect behorend tot een groep van insecten die vertegenwoordigd wordt door ongeveer 40.000 verschillende soorten. Cicaden vormen een onderorde die behoort tot de orde van de halfvleugeligen (Hemiptera). Zij leven in Zuid-Europa en in de tropen

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘insect’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Vertalingen

Engelscicada
Franscigale
DuitsZikade
Spaanscigarra, chicharra, cicada
Italiaanscicala
Portugeescigarra
Poolscykada
Deenscikade