chocoladekoek

mannelijk (de)/ʃokoˈladəˌkuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) zoete lekkernij van dubbel gebakken deeg, met chocola in het deeg of als aparte laag
    Neem toch, vervolgde zij, mij een schoteltje en een mes toeschuivend. Het is chocoladekoek, wij bakken hier altijd alles zelf, rommel van de banketbakker komt bij ons niet in huis.