chipolata

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌtʃipoˈlata/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een klein (vers) worstje dat oorspronkelijk uit Frankrijk komt en gemaakt is van varkensvlees
    Als ik met ouder worden iets verloren ben, dan mijn hang naar absolute consequentie. Je zal me niet snel een steak zien bestellen op restaurant, maar evenmin haal ik de parmaham uit de risotto die je me voorzet. Waardoor ik, eerlijk is eerlijk, geen al te best parcours aan het lopen ben met mijn Dagen zonder Vlees. Een rest chipolata hier, een stukje overgebleven kip of tonijnsla daar, en dan nog een sushi-traktatie van een vriendin, en voor je het weet, heb je maar twee vleesloze dagen van de zeven. De Standaard 25/03/2015 om 12:31 door Eva Berghmans [http://www.standaard.be/cnt/dmf20150325_01597503 Konijnenvoer]
    Vrijdagmiddag rodepoonfilet met spinazie en aardappelen natuur, vrijdagavond chipolata met lookboter en aardappel in de pel. Er is altijd een saladbar, brood en charcuterie. En dan heb ik het nog niet over het vieruurtje – waarover later meer. De Standaard 03/07/2017 om 08:07 door Yves Delepeleire [http://www.standaard.be/cnt/dmf20170630_02949875 'Het vieruurtje is bijna een heilig moment']
  2. pudding bereid met biscuits, rozijnen en likeur

Etymologie

* uit het Italiaans

Vertalingen

Engelschipolata