cheat

mannelijk (de)/tʃiːt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spel (spel) truc met de programmatuur die een speler van een computergame oneerlijk voordeel bezorgt
    Met het cheatprogramma konden spelers de spelomgeving beïnvloeden en een zogeheten God-modus activeren, waardoor ze niet langer dood konden. Dat gaf spelers in de onlinemodus een oneerlijk voordeel ten opzichte van anderen die de cheat niet hadden gekocht.

Etymologie

*van """ (3)