champagne

mannelijk (de)/ʃɑmˈpɑɲə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken, oenologie (drinken) (oenologie) een witte of rosé schuimwijn uit de champagnestreek in Frankrijk, die in het bijzonder bij feestelijke aangelegenheden wordt geschonken
    Gooise meisjes kunnen op zondag alleen brunchen met champagne!!
    Morgen trekken we de champagne open.
    Iedereen liep met grote bouwhelmen op en er gingen schalen rond met champagne en eierballen. Er was afgesproken dat een eerstejaarsstudent de eerste steen mocht leggen, het feitelijke begin van de werkzaamheden (in werkelijkheid waren onze bouwvakkers al een tijdje bezig).

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schuimende wijnsoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1745

Vertalingen

Engelschampagne
Franschampagne
DuitsChampagner
Spaanschampaña, champán
Italiaanschampagne
Poolsszampan