centrum

onzijdig (het)/ˈsɛntrʏm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. middelpunt,in het midden gelegen
    Utrecht ligt niet alleen maar in het centrum van de provincie maar ook in het centrum van Nederland.
  2. binnenstad
    Hij woont in het centrum van Almelo.
    De afslag Utrecht Centrum was over 500 meter een feit, meldden de witte letters op het blauwe bord.
  3. plaats waar bepaalde activiteiten geconcentreerd zijn
    De huisarts heeft zijn praktijk samen met de apotheek en de fysiotherapeut in het gezondheidscentrum.
  4. politiek (politiek) het midden van het politieke spectrum
    Het CDA is in Nederland een partij in het centrum.
    Alle gewone rechtse partijen, en zelfs het centrum, waren antisemitisch, dus die stellingname kon niemand meer voor zichzelf uitbuiten.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘middelpunt’ voor het eerst aangetroffen in 1654

Vertalingen

Engelscentre, center
Franscentre
DuitsZentrum
Spaanscentro
Italiaanscentro
Poolscentrum