cement

/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een bouwmateriaal bestaande uit kalk, zand en grind
    Het cement was in de truck hard geworden.
    Het bindmiddel voor dit zogeheten brikkenbeton was geen cement, maar een mengsel van kalk en tras, gemalen tufsteen uit de Eifel. Het werd al in de Romeinse tijd gebruikt, onder andere voor de koepel van het Pantheon. Joost van Kasteren NRC 14 mei 2016
    De smurrie voelde lauw en hard aan. Als cement.
  2. tandheelkunde (tandheelkunde) een vulstof voor onder andere kiezen
  3. figuurlijk (figuurlijk) iets wat een groter geheel bij elkaar houdt
    Het cement van de samenleving.
    Er zit een gevarieerde groep tussen, die, hoe diffuus ook, één kenmerkt deelt: het zijn sociale stijgers: de ouders hebben ten opzichte van hún ouders een grote stap vooruit gemaakt in opleiding en inkomen, maar halen (nog) niet het opleidingsniveau en de werkomvang van de hogere middenklasse. Deze kinderen zijn het cement van de stad.Annemiek Leclaire NRC 26 mei 2016

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mortel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Vertalingen

Engelscement
Fransciment
DuitsZement
Spaanscemento
Italiaanscemento
Portugeescimento
Turksçimento
Poolscement
Zweedscement, kitt
Deenscement