ceder

mannelijk (de)/ˈsedər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. coniferen (coniferen) benaming voor bomen uit het geslacht dat behoort tot de dennenfamilie
    Ceders hebben een bast die bestaat uit dikke ribbels of vierkante richels en wijduitstaande, rechte takken.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘naaldboom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100

Vertalingen

Engelscedar
Franscèdre
DuitsZeder
Spaanscedro