cassoulet

mannelijk (de)/ˌkɑsuˈlɛ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ragout van diverse vleessoorten en witte bonen smeuïg gemaakt met ganzen- of eendenvet
    Deze heerlijke cassoulet met geitenkaas, kip en parelgort is gebaseerd op de Franse keuken. Aangezien je stooft de kip krijgt het gerecht bovendien een vollere smaak.
    En tot slot de cassoulet. In het verhaal in VRIJ zegt de Franse chef Yves Coster van Yves Delicatesse zeer duidelijk dat het pas lekker is al je het twee keer warm maakt. En zo is het. Drie keer nog lekkerder. Ganzenvet, zeggen de Franse recepten maar dat hoeft niet. Olijfolie is ook goed. Wel een lekker vet worstje nemen.

Etymologie

* uit het Frans