Cao

vrouwelijk (de)/sejaˈʔo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) afspraken gemaakt tussen werkgevers en vakbonden over beloning en werkomstandigheden voor alle werknemers in een bedrijf of bedrijfstak gedurende een bepaalde periode
    De vakbonden onderhandelden voor een betere cao
    In de nieuwe cao is afgesproken dat alle medewerkers – inclusief uitzendkrachten – 10 procent loonsverhoging krijgen.

Etymologie

*(initiaalwoord) collectieve arbeidsovereenkomst; als onderdeel van de officiële naam van de cao voor een bepaalde bedrijfstak wél met hoofdletters geschreven

Vertalingen

DuitsTarifvertrag
SpaansContrato Colectivo de Trabajo