cantorij
vrouwelijk (de)/kɑnto'rɛɪ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- kerkkoor dat bestaat uit leden van de gemeenteBij de dienst werd de pers geweerd. Alleen de NOS mocht naar binnen om opnamen te maken, die live werden uitgezonden. Tijdens de eucharistieviering zong de cantorij het Kyrie Eleison en de Agnus Dei uit de Kleine Orgelmis van J. Haydn. Ook het Ave Maria van H. Andriessen werd gezongen. De opbrengst van de collecte was in overleg met de familie deels bestemd voor het Aids-fonds.NRC 10 mei 2002
Etymologie
*afgeleid van cantor
Vertalingen
Engelschoir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek