cabine

vrouwelijk (de)/ka'binə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. transport (transport) bestuurdershokje van een vracht- of bestelauto
    De trucker had van zijn cabine een heel persoonlijke woonkamer gemaakt.
  2. luchtvaart (luchtvaart) ruimte voor passagiers in een vliegtuig
    De stewardessen werken in de cabine terwijl de piloten werken in de cockpit.
  3. ruimtevaart (ruimtevaart) ruimte voor astronauten
    Sinds de bemanning in de ruimte is zijn er duizenden zonsopgangen geweest, waarvan ze er honderden hebben gezien, en als ze nu wakker waren zouden ze uit hun cabine komen zweven en weer kijken.
  4. filmkunst, techniek (filmkunst), (techniek) de ruimte waarin zich de filmprojector van een bioscoop bevindt
  5. kleedhokje
    We kleedden ons om in de cabine voordat we gingen zwemmen.
  6. hokje waarin een tolk werkzaam is

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘hokje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1895

Vertalingen

Spaanscabina, camarote