burger

mannelijk (de)/ˈbʏrɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. inwoner van een stad of staat die bepaalde wettelijke rechten en plichten heeft
    Met de privilegebrief kende de landheer aan de burgers van een stad een zekere mate van autonomie toe. (feodaal rechtstelsel, middeleeuwen)
    De burgers van de stad staken bij deze ramp zelf de handen uit de mouwen.
  2. lid van de burgerbevolking, in tegenstelling tot een strijdende partij of ordedienst
    Door een aanval van de Afghaanse luchtmacht in de provincie Kunduz zijn mogelijk vijftig burgers om het leven gekomen.[https://www.telegraaf.nl/nieuws/1867803/burgers-gedood-door-luchtaanval-afghanistan De Telegraaf, 3 april 2018]
    Ze waren begonnen met het vermoorden van burgers door niet alleen Berlijn maar ook andere Duitse steden te bombarderen.
  3. inwoner van een land of stad die niet van adellijke afkomst is
    Ikzelf hoop dat je net als je vader en opa jezelf in de eerste plaats zult zien als citoyen, burger, Letang.
zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) als schijf gevormd en gebakken of gegrild kleingehakt, met kruiden vermengd vlees uit rund en/of varken, of iets vergelijkbaars
    Bij het bestellen van de burgers kregen we bijna nooit de vraag hoe we onze burger gebakken wilden hebben. Vreemd, want dat is wel standaard bij het bestellen van biefstuk.
  2. voeding (voeding) in twee helften gesneden broodje met daartussen een schijf gebakken of gegrild rundergehakt of iets vergelijkbaars, met saus en groenten
    Na dagen lopen was het eindelijk zover, ik stond extra vroeg op en kon niet wachten totdat ik die befaamde burger in mijn handen had.

Etymologie

*[B] uit het "burger", verkorting van "hamburger"; oorspronkelijk een verwijzing naar goed vlees uit de Duitse stad Hamburg

Vertalingen

Engelscitizen, civilian, burger
Franscitoyen
Spaansburgués, ciudadano, paisano
Poolsobywatel