burgemeester

mannelijk (de)/bʏrɣə'mestər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, politiek (beroep), (politiek) hoofd van het gemeentebestuur
    De burgemeester sprak met de pers deze ochtend.
    Ik neem aan dat het nu over raadsleden, burgemeesters en dat soort lui gaat. En hoger.
  2. molenaarsambacht (molenaarsambacht) het bord onder de spil van een molen
  3. steltloperachtigen (steltloperachtigen) de naam van een tweetal meeuwensoorten:

Etymologie

* Oorspronkelijk , maar vervolgens opgevat als

Uitdrukkingen

  • Een burgemeester in oorlogstijdIemand die met de vijand samenwerkt om erger te voorkomen
  • Eens burgemeester, blijft burgemeesterWie eenmaal een bepaald maatschappelijk aanzien (goed of slecht) heeft, raakt dat niet of heel moeilijk meer kwijt
  • Middelnederduits: "borgemester", "borgermester"
  • Middelhoogduits: burgermeister
  • Modern Duits: "Bürgermeister"
  • Deens: "borgmester"
  • Noors: "borgermester"
  • Oudzweeds: borghamæstare, borgharamæstare

Vertalingen

Engelsmayor
Fransmaire, bourgmestre
DuitsBürgermeister
Spaansalcalde
Italiaanssindaco
Turksbelediye başkanı, belediye reisi
Poolsprezydent miasta
Zweedsborgmästare