bungalow

mannelijk (de)/'bʏŋɡalo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. woning zonder bovenverdieping
    “We komen de meest gekke dingen tegen. Zo had iemand in een gelijkvloerse bungalow een traplift opgevoerd. Anderen vragen hypotheekrenteaftrek aan, terwijl ze in een huurhuis wonen.”Anouk Eigenraam NRC 18 februari 2015
  2. vakantiewoning
    Met de vakantie zitten we in een bungalow in de Ardennen.

Etymologie

*Via het Gujarati-woord bungalo uiteindelijk afgeleid van het Hindi-woord bangla of bangala, "Bengaals huis". Als zwerfwoord vervolgens in veel talen overgenomen; het Nederlands heeft het woord aan het Engels ontleend.Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. Veen, Amsterdam / Antwerpen, 2e druk, 2002.

Vertalingen

Engelsbungalow
Fransbungalow
DuitsBungalow
Spaansbungalow