bullebak
mannelijk (de)/ˈbʏləˌbɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) iemand die anderen angst aanjaagt om ze te laten doen wat hij wilMoeder, ´k ben zo bang van de bullebak. Bang van de bullebak, bang van de bullebak. Moeder, ´k ben zo bang van de bullebak. Kijk, daar komt ie aan. (Annie M.G. Schmidt).
Etymologie
*van "bullerbäk" "opvliegend, luidruchtig persoon", in de betekenis van ‘boeman’ aangetroffen vanaf 1611; op te vatten als
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek